Zoeken in deze blog

Oom Karel


de moed der wanhoop

ter herinnering aan
Karel de Vey Mestdagh
(1922-1944)


Het doel is ver van mij,
en de vijand die ik tart
is angstig dicht nabij,
doch moed is in mijn hart.
                               Jan Sinnige


Inleiding

In het onderstaande probeer ik het veel te korte leven van 'Oom Karel' te reconstrueren; Karel, de man naar wie ik ben vernoemd en die mij altijd na heeft gestaan. Een man ook die, ondanks dat ik hem nooit heb gekend, gewild of ongewild steeds weer van betekenis was in mijn eigen leven. De oorlogsjaren waren Karels Sturm und Drang tijd en met het felle karakter waarmee hij van nature al begiftigd, of beter misschien behept was, 'liep zijn hart' in die periode van bezetting en onderdrukking op een brisant en dus gevaarlijk mengsel. Ik wist het een en ander van hem uit overlevering, van verhalen van mijn vader, maar in de tijd dat het nog had gekund, heb ik verzuimd hem naar allerlei details te vragen. 

Gelukkig kon zijn zusje Pauline mij nog, in lange gesprekken die ik met haar voerde, veel vertellen en mij op onverwachte sporen brengen. Het betekende ook dat ikzelf op onderzoek uit moest, waarbij mij overigens al snel bleek dat veel niet meer te achterhalen viel. Allerhande officiële archieven bleken moedwillig vernietigd tegen het einde van de oorlog, of zaten vol hiaten. En heel wat mensen die ik wilde raadplegen waren inmiddels te oud of al overleden. De mijzelf opgelegde taak voelde in zekere zin als een race tegen de klok. Een zegen daarbij was het internet, dat zich in mijn zoektocht steeds weer een ongelooflijke bron van informatie toonde. 

Met internet begon het ook eigenlijk, toen ik op een zomeravond in 2009 uit ijdelheid mijn eigen naam intypte en tot mijn verrassing en ontsteltenis een lijst vond van een transport, in juni 1944, met gevangenen van Compiègne naar Dachau, met daarop de naam van Karel. Dat was voor het eerst ooit dat ik zijn naam op mijn computerscherm tegenkwam. Voornaam, achternaam, geboortedatum, alles klopte. Het leek wel, hoe gek het ook klinkt, een soort levensteken van hem, zij het rechtstreeks uit de hel op aarde. Op dat moment wist ik dat ik alles wat ook maar enigszins bekend was over hem wilde terugvinden. 

Puur toeval was dat ik in het najaar van 2009 werd benoemd tot Nederlands vertegenwoordiger in de Internationale Commissie van de International Tracing Service (ITS) in Bad Arolsen, Duitsland. Die organisatie beheert en conserveert een indrukwekkend archief van zo'n vijftig miljoen persoonlijke documenten van gevangenen van vrijwel alle voormalige Duitse concentratiekampen en maakt het mogelijk voor belanghebbenden om deze in te zien. Ook Karel vond ik daar terug: zijn leven in gevangenschap en zijn treurige dood, in vergeelde Duitse kampkaarten en aantekeningen van het Rode Kruis. Degene die mij zeer in mijn zoektocht heeft ondersteund, is het toenmalige hoofd van researchafdeling van het ITS, de historica Susanne Urban. Met haar hulp kreeg ik bijvoorbeeld toegang tot de Franse Service Historique de la Defense in Caen, waar ik - haast tegen de verwachting in - nog documenten van Karels verblijf in Compiègne terugvond.

Jeugd

Karel werd op 21 juli 1922 in Wassenaar geboren. In datzelfde jaar verhuisde het domineesgezin waar hij uit kwam naar Rotterdam. Eerst naar de Bergsingel en vervolgens naar de Oostzeedijk. Na de lagere school ging Karel aanvankelijk in Rotterdam en daarna in Schiedam naar het gymnasium. Uit die periode is weinig of niets bewaard gebleven aangezien zijn ouderlijk huis aan de Oostzeedijk in de eerste oorlogsdagen volledig afbrandde bij het bombardement op de havenstad, van 14 mei 1940.


Uit zijn tijd op het Stedelijk Gymnasium Schiedam rest nog een klassenfoto (vierde klas, jaar 1939-'40), afkomstig uit een lustrumboek van de school (1879-1979), waarop hij en ook zijn boezemvriend Jan Sinnige staan. Evenals Karel, is Jan Sinnige in de oorlog op weg naar Engeland gearresteerd en omgebracht. 

Karel haalde uiteindelijk zijn eindexamen aan het Christelijk Gymnasium in Den Haag, nadat hij met zijn ouders naar die stad was uitgeweken na de brand van Rotterdam. In Den Haag vond het gezin eerst onderdak in de Nassau Odijckstraat en na twee jaar (de straat werd ontruimd ten behoeve van de Atlantikwall) op het Sweelinckplein. Na het behalen van zijn gymnasium wilde Karel Indisch Recht in Leiden gaan studeren, maar daar kwam als gevolg van het sluiten van de universiteit niets meer van.

In het Poesiealbum van zijn zusje schreef hij in die tijd het laatste vers van Gezang 288. Het zegt veel over hoe Karel zich toen voelde.



Verzet

Tegen de Duitse bezetter toonde Karel zich zeer opstandig en ook wel vaak overmoedig; emoties lagen bij hem dicht aan de oppervlakte. Hij trok affiches van de NSB en de bezetter van muren en liep uitdagend met een oranje lint in zijn revers dat hij aan de achterkant had bevestigd met een scheermesje. Een van zijn uitspraken was: 'Ik ben goed in het gezelschap van goede mensen en slecht in het gezelschap van slechte.'

Wat Karel verder precies ondernam (en of hij zich aansloot bij een verzetsgroep) valt niet meer te achterhalen. Hij heeft er in die oorlogstijd zelf nooit over gesproken. Dat hij als gevolg van illegale activiteiten sommige mensen niet vertrouwde, bleek zijn zusje Pauline toen zij samen met hem naar een concert ging en hij haar uitdrukkelijk te kennen had gegeven dat ze moest veinzen een haar bekend meisje (Erna van Gogh), dat ze daar zouden zien, niet te kennen. Wellicht mochten Erna en Karel niet samen worden gezien, maar waar hij precies bang voor was, wist Pauline niet. Ik ben er niet achter kunnen komen of deze Erna van Gogh een rol had in de oorlog, en welke die dan zou zijn geweest. Het enige aanknopingspunt dat internet bood, was het feit dat Erna van Gogh (geboren in 1924) in 1954 in Tutzing, Duitsland, trouwde met Carl zu Stolberg-Stolberg. Was er in die tijd al een Duitse link?

Zijn houding tegenover de Duitsers leidde ertoe dat Karel in oktober 1942 werd gearresteerd, in het 'Oranjehotel' in Scheveningen werd geïnterneerd, en vervolgens dwangarbeid moest verrichten in Hamburg. Toen de burgemeester van Hamburg, op bezoek in Rotterdam, bij Karels ouders in Den Haag een visite bracht (meegenomen door een andere Hamburger die bij de Holland-Amerika lijn werkte en een relatie had met de familie), was hij zo onder de indruk van het milieu waaruit Karel kwam en van het feit dat Karel net zijn eindexamen gymnasium had gehaald, dat hij beloofde hem vrij te krijgen op voorwaarde dat hij zich zou onthouden van welke subversieve daden dan ook; zo niet, dan zou het zeker met hem zijn gedaan. De verloren zoon kwam in december inderdaad weer naar huis.

Begin 1943 ging Karel werken als boerenknecht in de buurt van Dalfsen. Hij vond het eigenlijk maar niks, want hij wilde strijden tegen de vijand. Of hij zich daar weer inliet met illegale activiteiten is niet bekend, maar een feit is dat zijn vrijheid van korte duur was. In het najaar van 1943 werd hij alweer opgepakt en kwam hij in kamp Amersfoort terecht. Hoewel hij vanuit daar zeker op transport zou worden gesteld naar Duitsland, wisten zijn ouders het bij de Duitsers voor elkaar te krijgen hem uit het kamp vrij te laten (neef Jan van Voorst Vader in een brief aan zijn ouders: 'Mooi dat Karel Mestdagh vrij is. Oom Piet moet toch wel machtige connecties hebben!'). Hoe het in werkelijkheid is gegaan, is niet meer te achterhalen. Volgens zijn toenmalige verloofde, Dodo (zie hierna) zou Karels moeder bewakingsbeambten hebben omgekocht met sieraden. Het lijkt onwaarschijnlijk, maar in die tijd van tirannieke Ordnung gebeurde soms toch nog de meest onwaarschijnlijke dingen.  

Het was inmiddels januari 1944 en Karel verhuisde naar Veenendaal, waar goede vrienden van de familie woonden. Daar werd hij op 15 januari ingeschreven aan de Kerkewijk; volgens de burgerlijke stand van Veenendaal als kantoorbediende bij het Rijksbureau voor textiel (Distex). Dat men ook daar weer naar hem op zoek was, blijkt uit het Register van ingekomen en verzonden stukken (volgnummer 1422) van de gemeentepolitie van Veenendaal: nog op 6 november 1944 werden aan de procureur-generaal in Den Haag (kennelijk vermoedde men dat hij daar bij zijn ouders verbleef) stukken ter uitreiking aan Karel toegestuurd. Wat wilde de justitiële autoriteiten van hem? Men wist in ieder geval niet van zijn gevangenneming in Parijs en al helemaal niet van het feit dat hij toen zelfs al in het concentratiekamp Flossenbürg was overleden.

 Register politie Veenendaal (1422)

In Veenendaal wordt de naam van Karel (als voormalig inwoner van die gemeente) vermeld op het herdenkingsmonument voor gevallenen. Er is zelfs sprake van geweest een straat naar hem te vernoemen, maar de commissie die erover ging, vond de achternaam bij nader inzien wat ingewikkeld.


Monument voor gevallen in Veenendaal


Jan Sinnige

Karel was in januari 1944 zeer ontdaan uit Amersfoort terug gekomen, niet in de laatste plaats omdat hij zijn broer Jan daar had achtergelaten die er bovendien al langer gevangen zat. Zijn zusje Pauline ziet hem nog voor zich, terneergeslagen zittend, met een kaalgeschoren hoofd, op het Sweelinckplein in Den Haag. Hij wilde nog maar één ding: Weg naar Engeland! Hij had er vast op gerekend samen met zijn hartsvriend Jan Sinnige (Rotterdam, 1923) te gaan, maar die had niet langer kunnen wachten toen Karel in Amersfoort werd geïnterneerd, vooralsnog zonder enig perspectief op vrijlating. Jan Sinnige ging vlak voor Karels terugkeer met een opdracht van de illegaliteit op weg naar Engeland, maar werd in de Pyreneeën gearresteerd, overgebracht naar Compiègne en op transport gesteld naar Mauthausen en vervolgens Monowitz. Hij kwam om tijdens een dodenmars, in februari 1945.

Nog in de loop van 1943 schreef Jan Sinnige, naast een aantal gedichten, een viertal essays over ontmoetingen met de dood, de tijd, de waarheid en zijn ziel. Ook hield hij een dagboek bij. Bij een internetantiquariaat kwam ik zijn gebundelde oeuvre tegen in een In Memoriam, vlak na de oorlog uitgegeven door Roelants in Schiedam. Zou Jan zijn werk aan Karel hebben laten lezen, toen ze beiden nog in vrijheid waren?

Fragment uit het dagboek dat Jan Sinnige bijhield. 
Begin januari 1944 vertrok hij naar Engeland


Dodo van Doorninck

Karel had in 1941, in Dalfsen waar hij vaak logeerde bij zijn grootmoeder, een meisje leren kennen, Dorothee – Dodo – van Doorninck (Medan, 1924), waar hij smoorverliefd op was geworden. Zij was met haar moeder, broers en zusjes en de baboe over uit Nederlands-Indië toen de oorlog uitbrak. Vader van Doorninck was in Indië gebleven en kon niet meer naar Europa komen; hij zou in een Jappenkamp worden geïnterneerd. De familie heeft tijdens de oorlog in drie verschillende huizen in en rond Deventer gewoond. De moeder van Dodo moet een groot en moedig hart hebben gehad, want gedurende de bezettingsjaren heeft zij onderdak verleend aan maar liefst dertig onderduikers, waaronder de nodige joden. Ook Dodo heeft ten behoeve van al deze mensen zeer gewaagde en uiterst gevaarlijke toeren uitgehaald. Daarvoor werd zij nog in 2004, in haar woonplaats Goshen (CT) in the Verenigde Staten, onderscheiden met de Yad Vashem Righteous Gentile Award.

Dodo en Karel besloten zich, ook met het oog op het voorgenomen vertrek van Karel naar Engeland, op 19 januari 1944 (haar verjaardag) te verloven. Karel gaf Dodo zijn zegelring als teken van trouw, en om te koesteren zolang hij weg zou zijn. 

Dodo met de zegelring van Karel

Het moet een triest afscheid zijn geweest, want iedereen kon vermoeden (het dagboekfragment hierboven van zijn vriend Jan spreekt boekdelen) welke gevaren Karel zou lopen en Dodo had ook al gauw het gevoel dat het met Karel mis was gegaan. Dodo's oorlogstijd, zij was zestien toen de oorlog uitbrak, is alles bij elkaar getekend door veel spanning, ontbering, verdriet en ellende. Afgezien van de grote zorg rond de onderduikers, die enkele malen op een haar na werden ontdekt, verloor zij nog vlak voor de bevrijding, in maart 1945, haar beste vriendinnetje (waar zij op dat moment naast stond!) door een verdwaalde Duitse kogel en kwam haar jongere lievelingsbroer – een kind nog – om bij een Engels bombardement. Toen bovendien de overtuiging postvatte dat Karel niet meer zou terugkomen na de bevrijding, koos zij voor het leven en ging zij mee met een Amerikaan, Porter Cole, die diende in het Canadese leger, met wie zij nadien ook trouwde. Dat zij niet heeft gewacht op een definitief overlijdensbericht, hebben de ouders van Karel haar zeer kwalijk genomen, maar zij kon en wilde niet anders meer. Voor haar vertrek uit Nederland – naar Oxford, waar Cole al voor de oorlog een aanstelling had gekregen om te promoveren – ging zij langs bij de ouders van Karel, die inmiddels weer in Rotterdam woonden, om hen de ring terug te geven, samen met de brieven die Karel vanuit Parijs aan haar had geschreven. 

Dodo, die ik na een lange zoektocht terugvond – ze was zeer ontroerd toen zij daarvan vernam – heeft mij via haar dochter Audrey nog veel kunnen vertellen. Helaas stierf zij uitgerekend op de dag dat ik een afspraak had om met haar te telefoneren. Maar misschien moest het wel zo zijn. De oorlog had, zoals voor zo velen, alles veranderd in Dodo's leven, aldus Audrey, en toch had ze op haar manier haar hele leven trouw voor Karel gevoeld en was ze met grote liefde aan hem blijven terugdenken. Een foto van Karel heeft zij ook altijd bij zich gehad, tot haar overlijden in 2010. Herinneringen van Dodo aan Karel komen aan de orde in een uitgebreid interview met haar uit 2004.

https://www.youtube.com/watch?v=vZXS9As0gHs

Dit liedje is gebaseerd op een gedicht van een onbekende krijgsgevangene in een Japans kamp. De tekst bracht mij ertoe er een melodie op te schrijven.

You are ever in my thoughts 
Though parted we must be 
Side by side we walk along 
The paths of memory. 

I cannot hear your gentle voice 
Or take your hand in mine 
But none can rob me of my dreams 
Of you, my love divine. 

In the land of hearts desire 
We'll live and laugh with love 
With a future bright before us 
And a cloudless sky above. 
 
Lives once closely linked together 
At the moment lie far apart 
But you are ever in my thoughts 
And ever in my heart.

Parijs

In weerwil van de adviezen die hij kreeg, om verder geen verzetsdaden te plegen – van onder andere Wim König, die zelf diep in het verzet zat (hij vond hem er qua persoonlijkheid de man niet voor) – en vooral niet naar Parijs te gaan ('Weet wat voor een spionnen daar zitten!') besloot Karel toch te vertrekken. De dochter van Wim König, Suzanna van de Poll-König, herinnert zich nog levendig de gesprekken tussen Karel en haar vader. Maar Karel bleek niet op andere gedachten te brengen, hij wilde zich perse aansluiten bij de Prinses Irene Brigade en vechten voor de bevrijding van Nederland.

Eind februari, begin maart 2016 bracht ik een bezoek aan de plaatsen in en rond Parijs die met Karel te maken hebben. Van meet af aan had ik mij al voorgenomen om de reis in die periode te plannen, aangezien Karel in precies die tijd aan zijn Engelandvaart begon, om kort daarop te worden gearresteerd. Omdat ik mijn tocht voortdurend door de ogen van Karel probeerde te bekijken, heb ik de belangrijkste momenten ervan ook vastgelegd in foto's. Ik ging per trein en vertrok evenals Karel van het Haagse station Hollands Spoor. HS is gerestaureerd en zal er waarschijnlijk uit zien zoals op die dag toen Karel aan zijn onzekere reis begon. Heeft hij nog even gerust tegen de balustrade, of zijn hand tegen een van de koude smeedijzeren pilaren gelegd? 'Laat het afscheid kort zijn', zei hij bij het vaarwel op het kille perron tegen zijn vader en zijn zusje Pauline die hem wegbrachten.

 
Station Den Haag HS anno 2016

Of hij onderweg nog heeft moeten overstappen of uitstappen, om bijvoorbeeld pascontrole van Duitsers te ontlopen, valt niet na te gaan. In België ging de reis vaak per tram van Antwerpen naar Brussel. Van daaruit kon dan weer een trein naar Parijs worden genomen. Alles moest in ieder geval met de meeste omzichtigheid gebeuren, want ontsnapping naar Engeland werd gezien als Feindbegünstigung, waarop levenslange gevangenisstraf, deportatie naar een concentratiekamp of zelfs executie stond.  Zoals alle Engelandvaarders zal Karel zich beslist bediend hebben van valse identiteitspapieren. In Nederland gebruikte hij wel de schuilnaam Wubbe Mulder, later in Frankrijk waarschijnlijk ook nog Jacques de Michelod.

Eenmaal aangekomen in Parijs op Gare du Nord had hij een rendez-vous in een hotel vlakbij het station. Of hij daar direct naartoe is gegaan en ook heeft overnacht, is mij niet bekend. Zijn oud celgenoot in de gevangenis van Fresnes, Jean Carbonnet, schrijft na de oorlog aan mijn grootouders dat Karel hem vertelde dat hij in een hotel werd gearresteerd waar, naar achteraf bleek, de hele zaak was verraden. 

Il m'a raconté qu'il avait été arrêté à Paris dans un hôtel. L'organisation qui l'avait fait passer en France lui avait donné l'adresse de cet hôtel - mais depuis quelques temps le gérant avait été arrêté et la gestapo l'avait forcé à accueillir les jeunes gens réfractaires comme ne de rien n'était.

Veel geld had Karel niet om in Parijs van te leven. Hij ging er nog voor langs bij Gijs van Dedem, houthandelaar aldaar, die het bestond hem de deur te wijzen uit angst voor de Duitsers – tot ontsteltenis van mijn grootouders die dat van Van Dedem zelf vernamen. 'Dat kan toch niet, dat hij hier zomaar langskomt!', had hij hun meegedeeld. Toch heeft Karel zich, naar het zich laat aanzien, ruim een week op de been gehouden en in ieder geval ook ergens onderdak gevonden voor de nacht. 

Parijs was zelfs in de oorlog nog een dynamische en levendige stad, waar tussen de inwoners, Duitse militairen, verzetsstrijders, oorlogsprofiteurs en de nog aanwezige bohemiens naast en door elkaar leefden. De drukke straten en volle cafés boden redelijk de gelegenheid op te gaan in de massa. Dat het desondanks allemaal geen pretje was, blijkt uit de brief die hij op 8 maart schreef aan Dodo. Zij ontving die brief op 21 maart en deed er, vanuit Leiden (Rapenburg 131), de volgende dag per brief verslag van aan mijn grootouders. 

Ik wilde u berichten, dat ik gisteren een snoezige voor Karels doen lange brief uit Parijs – gedateerd 8 maart – van hem ontving. [...] Ik geloof weldegelijk dat hij honger en kou lijdt en dat schijnt hem erg van Parijs tegen te vallen. Verder ziet hij natuurlijk enorm veel. Hij wachtte n.l. ook op andere kameraden, maar die verschenen niet. Nu weet ik toevallig dat die groep gepakt is en nu in Buchenwald zit. Daar was een broer van een vriendinnetje van me bij. Verder schreef hij over zijn luiheid en 't lange in bed liggen (dat doe je vanzelf als je honger hebt) en over toekomstdromen.

Hotel Montholon

Het hotel waar veel Nederlandse Engelandvaarders in die tijd afspraken, was Hotel Montholon op zo'n vijf minuten lopen van Gare du Nord. Begin maart 1944 zaten er een heel stel voornamelijk Leidse studenten, onder wie Eric Verstijnen, Jaap Lambrechtsen, Ernst van der Laan en Victor Swane. Ook de later beruchte Chris Lindemans (alias King Kong) verbleef er begin maart. Op 7 maart 1944 ging het zusje van Eric Verstijnen, Madelon (Lon) Verstijnen, vanuit Leiden met de trein naar Parijs om ook naar Engeland te ontkomen. Zij heeft er maar twee nachten in Hotel Montholon geslapen, want op 9 maart in de ochtend stonden de Duitsers voor de deur en werd de voltallige groep gearresteerd door twee leden van de Gestapo en vier zwaarbewapende Duitse soldaten. Chris Lindemans was op dat moment net even de deur uit en had, naar inmiddels vaststaat, de zaak verraden in de hoop dat hij daarmee zijn broer Henk, die begin februari in Nederland was gearresteerd, en zijn Franse vriendin Gilberte Letuppe (Gilou Lelup), die op 24 februari werd aangehouden tijdens een hotelcontrole elders in Parijs, uit de gevangenis te krijgen. Het lukte voor wat betreft zijn broer, want die werd kort daarop vrijgelaten. Gilou daarentegen ging nog een lijdensweg tegemoet. Chris Lindemans was al langer actief in Nederland, Brussel en Parijs, waar hij Engelandvaarders hielp; maar naar achteraf vast is komen te staan, hield hij er in ieder geval sinds februari 1944 een dubbele agenda op na. Hij stond in die tijd al in contact met het hoofd van de Brusselse Abwehr, majoor Giskes.

Veel van het gebeuren in Hotel Montholon weet ik van Lon Verstijnen met wie ik daarover nog uitgebreid heb kunnen spreken. Op het moment dat ik haar (ook weer via Internet) 'vond', was zij 94 en vrijwel blind, maar nog zeer helder van geest. Lon overleefde Buchenwald en een dodenmars. Hotel Montholon was (en is) een hotel met slechts achttien kamers; steeds op ieder van de zes verdiepingen twee aan de voorkant en een aan de achterkant, uitkomend op een trappenhuis met een steile wenteltrap. 


Uitzicht op Hotel Montholon (midden) vanaf square Montholon

Het hotel ligt tegenover een plantsoen (square Montholon) langs de rue Lafayette. Karel zal zeker in dit plantsoen het afgesproken adres hebben geobserveerd en zich hebben afgevraagd of het allemaal wel veilig was. En als hij niet samen met de eerste groep, in de vroege ochtend van donderdag 9 maart werd gearresteerd, kan het ook in de loop van die dag zijn gebeurd, of zelfs nog op 10 maart. De hotelbeheerder werd immers, zo schreef Jean Carbonnet, door de Duitsers gedwongen om net te doen of er niets aan de hand was...

Ik heb er veel in de buurt rondgelopen en mij ook daar weer voortdurend afgevraagd wat Karel er in zijn dagen in Parijs heeft gedaan en wat voor een indruk de omgeving op hem heeft gemaakt. Zelf wilde ik perse in hotel Montholon overnachten, wat mijn reis nog vertraagde, omdat het in 2015 werd opgeknapt en derhalve gesloten was. Nu kon ik er terecht en sliep in, wie weet, de kamer waar ooit Karel sliep. Het was een bedrukkend gevoel, maar ook wel weer een bevrijding dat ik Karel zo achterna kon reizen om hem postuum het gevoel te geven dat het allemaal niet vergeten is.

Omdat het waarschijnlijk is dat Karel in Hotel Montholon heeft overnacht, dan wel er een kamer heeft geboekt op de dag van zijn arrestatie, is het goed mogelijk dat hij daar met een geweer in zijn rug door het trappenhuis naar beneden is gevoerd. Met zijn hand wellicht nog langs dezelfde leuning die sindsdien door de handen en van zo veel achteloze bezoekers is gegleden en die ik nu een paar keer per dag door mijn hand voelde gaan.

Trappenhuis Hotel Montholon

Lon Verstijnen schreef een kroniek over haar kampervaringen, die aanvangt met de arrestatie in Hotel Montholon (door haar abusievelijk 'De Monthoulon' genoemd).


In 1945, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog zat Lon gevangen in concentratie-kamp Buchenwald in Duitsland. De geallieerden rukten op en de nazi’s besloten de kampen te ontruimen. Zij dwongen de gevangenen tot de zogenaamde dodenmarsen. Lon wist samen met acht andere vrouwen daaruit te ontsnappen. Als groep trokken zij in een kleine week door vijandig Duitsland en bereikten gezamenlijk de Amerikanen. Drie van de negen vrouwen hebben over dat avontuur geschreven. Hun dagboekteksten zijn verwerkt in een indrukwekkende documentaire die, wat Lon betreft, aanvangt met de arrestatie in hotel Montholon. Op het moment dat ik dit schrijf is deze nog altijd te zien op Uitzending Gemist.


De gevangenis van Fresnes

Na de arrestatie werden allen – de mannen geboeid, aldus Lon Verstijnen – naar de gevangenis van Fresnes overgebracht. Dat zal in arrestantenwagens of legertrucks zijn gebeurd. Met metro's en bussen is Fresnes, een voorstadje ten zuiden van Parijs, nu een klein uur gaans. Ik was er op een ijzige maartse ochtend. Aan de Rue de la Liberté (sic), net buiten Fresnes, bevindt zich de toegang, met slagbomen, tot het gevangenisterrein. Op het complex staan her en der gebouwen voor administratieve doeleinden en cipierswoningen. Daar bevindt zich in een hoge binnenmuur ook de toegangspoort van La Maison d'Arrêt . 

Toegangspoort tot de gevangenis van Fresnes

Rond de gehele muur van de eigenlijke gevangenis loopt een smalle straat, die mij in staat stelde een volledige ronde te maken. Denkend aan Karel gaf mij dat een unheimisch gevoel, dat nog werd versterkt door het over de binnenplaats galmende geschreeuw van gevangenen, die onophoudelijk met elkaar communiceerden tussen de tralies van hun celramen door. 

La Maison d'Arrêt waar Karel drie maanden gevangen heeft gezeten

Behalve mijn hoofd vol sombere gedachten, vond ik op het gevangenisterrein geen herinnering aan de oorlog. Met uitzondering wellicht van het grimmige bewakingspersoneel dat mij zeer argwanend bejegende. Maar dat had meer te maken met de oorlog tegen het terrorisme, die in alle hevigheid was losgebarsten na de aanslagen in Parijs, enkele maanden eerder. In heel Frankrijk gold de noodtoestand, wat in Parijs duidelijk zichtbaar was met overal zwaarbewapende politieagenten en militairen.



 Cel in de gevangenis van Fresnes, jaren '40

Nadat ik de slagbomen achter mij had gelaten, vervolgde ik lopend mijn weg naar Fresnes. Toen ik een groot, druk kruispunt wilde oversteken en achterom keek, zag ik een naambordje  'Carrefour de la Déportation' en tot mijn verrassing tegen een tweede buitenmuur van de gevangenis toch nog een gedenksteen voor oorlogsslachtoffers.

 Carrefour de la Déportation
Gedenksteen

Rue des Saussaient

De gevangenen in Fresnes werden, voor zover de Duitsers dat nodig achtten, verhoord door de Gestapo die zijn hoofdkwartier had betrokken in het Ministerie van Binnenlandse Zaken aan het Place Beauvau in Parijs (vlak naast het Élysée). Aan de zijkant van het voormalige stadspaleis loopt de rue des Saussaient, waar de toegangspoort is die ook Karel onderdoor heeft moeten gaan. Want zoals Jean Carbonnet, die ruim een maand met Karel een cel deelde, het na de oorlog aan mijn grootouders schreef:  

Il a été interrogé au siège de la Gestapo, rue de Saussaies à Paris. Il a été battu quand je suis arrivé à Fresnes le 30 Avril - il m'a montré les traces de ces coups dans le dos et au bas du dos. Il a toujours gardé un bon moral.


Palais Beauvau en de zij-ingang aan de rue des Saussaies

De cel waar gevangenen werden vastgezet alvorens ze werden verhoord door de Gestapo is intact gelaten en te bezichtigen, met inbegrip van wat in nood op de muren werd gekrast en geschreven. Ook daarvoor had ik al vanuit Nederland om permissie verzocht, maar zonder succes, want bezichtiging bleek slechts eenmaal per jaar mogelijk, tijdens de Journées du Patrimoine in september. En hoe ik, eenmaal aan de poort in de rue des Saussaient, alsnog mijn best deed, bewakers die even bleken te zwichten, kregen van hun baas vervolgens een onverbiddelijk 'nee' te horen. 

Muur in een wachtcel aan de rue des Saussaies, waar ook Karel zal hebben verbleven


                                                                                                                                    Jeudi 16 Août 1945
Monsieur Jean Carbonnet
1 rue des ABBESSES
Paris 18ème

                                       Chère Madame
                                                 Cher Monsieur,

Pardonnez moi d'avoir tant tardi à répondre à votre aimable lettre, mais j'ai eu beaucoup d'occupations ces temps derniers avec les préparations de mon mariage.
Nous avions beaucoup de temps pour bavarder ensemble, votre fils Karel et moi. Il m'a souvant parlé de vous et de votre vie de famille aussi que d'une grand mère qui a, je crois, une propriété à l'Est des Pays-Bas. Je ne me souviens plus bien. Il m'a dit également qu'il était fiancé et il pensait souvent à cette jeune fille.
Il m'a raconté qu'il avait été arrêté à Paris dans un hôtel. L'organisation qui l'avait fait passer en France lui avait donné l'adresse de cet hôtel - mais depuis quelques temps le gérant avait été arrêté et la gestapo l'avait forcé à accueillir les jeunes gens réfractaires comme ne de rien n'était. Il a donc été amené à Fresnes vers le mois de mars, je crois.
Il a été interrogé au siège de la Gestapo, rue de Saussaies à Paris. Il a été battu quand je suis arrivé à Fresnes le 30 Avril - il m'a montré les traces de ces coups dans le dos et au bas du dos. Il a toujours gardé un bon moral - et il a du partir pour l'Allemagne au mois de Juin 44.
Je lui avais fait apprendre par coeur des adresses en cas où il pourrait s'évader en France. Malheureusement, je n'ai jamais eu de nouvelle de lui en Allemagne, ni depuis que je suis rentré excepté votre lettre.
Je souhaite qu'il rentre bien vite - d'abord pour vous ses chers parents - et puis pour moi aussi, car c'était un très bon ami et nous avions fait beaucoup de projets de visites mutuelles. Espérons que Dieu nous exaucera.
Je n'ose vous dire de banales paroles de réconfort et d'espoir, mais je vous prie de croire en ma très respectueuse et sincère amitié. Mes parents et ma femme se joignent à moi de grand coeur.

Jean Carbonnet

Karel m'avait dit aussi qu'il avait déjà été en camp de concentration ainsi qu'un de ses frères dans les Pays-Bas. Permettez-moi de vous envoyer une image souvenir de mon mariage.
De brief van Karels celgenoot Jean Carbonnet


Compiègne-Royallieu

Vanuit Parijs ben ik met de trein op en neer gegaan naar Compiègne (ongeveer 80 km boven Parijs) om daar het voormalige doorgangskamp Royallieu (Frontstalag 122) te bezoeken. Het kamp werd als hospitaal gebouwd ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, om gewonde soldaten achter de linies op te vangen. In 1940 werd het door de Duitsers gevorderd als straf- en vooral doorgangskamp, met die bijzonderheid dat het in belangrijke mate door de Franse autoriteiten, inclusief politiebewaking werd gerund. Dat laatste is voor de vele Fransen die er hebben gezeten een bittere pil geweest; zij het dat het regiem er bijgevolg aanvankelijk wel redelijk mild was, al was het maar omdat de Franse politieagenten werden geplaatst tegenover medeburgers die niet zelden hun onderscheidingen, als een Légion d'Honneur, droegen. Dat maakte indruk en bracht aan het twijfelen. Maar overigens was Compiègne voor de Fransen wat Amersfoort in Nederland was. Tegen de tijd dat Karel er vastzat werd Royallieu overigens grotendeels door de SS geleid. Ruim 40.000 gevangen, merendeels Fransen, passeerden het kamp even buiten het stadje. Vrijwel allen werden afgevoerd naar Duitse concentratiekampen. De deportaties geschieden als het even kon bij het ochtendgloren en zo veel mogelijk buiten de bebouwde kom om, opdat de bevolking van Compiègne er zo min mogelijk van meekreeg.

Toen ik aankwam op het station in Compiègne ben ik eerst naar de Quai des Déportés gegaan, waar ik een paar foto's maakte van het herdenkingsmonument.

 Perron waarlangs de deportatietreinen stonden, anno 1944

Monument aan de Quai des Déportés

Karel vertrok, samen met 2142 anderen, op een van de laatste transporten, op 18 juni 1944, naar Dachau. Een trein van zo'n twintig veewagons, met in iedere wagon honderd man! 






Dat Karel in Compiègne had gezeten, had ik al via documenten uit de Franse oorlogs-archieven bevestigd gekregen. Uit een handgeschreven lijst bleek dat hij er samen met de eerder genoemde Eric Verstijnen (en nog twee andere Nederlanders) was binnengekomen op 9 juni 1944 en er t/m 17 juni heeft gezeten. Hun namen staan er onder elkaar. Karel was inmiddels gevangene nummer 40.426 en Eric Verstijnen 40.427. Zij behoorden daarmee ook bijna tot de laatsten!


Handgeschreven lijst bijgehouden in het kamp van Compiègne

Opvallend is dat Karel zich in Parijs kennelijk nog van een andere naam had bediend, te weten Karle Jacques de Michelod. Ik ben die schuilnaam ook elders in Franse documenten tegengekomen. Uit de lijst blijkt dat hij in de barakken van Sectie A was ondergebracht, hetgeen correspondeert met het systeem dat mij in Compiègne werd duidelijk gemaakt: Sectie A was gereserveerd voor de politieke gevangenen, Sectie B veelal voor Engelssprekende krijgsgevangenen en Sectie C voor Russen, joden en ook vrouwen. Juist drie van de barakken van Sectie A zijn nog in een vrij originele staat te bezichtigen. En als je er dan rondloopt – ik was er helemaal alleen – krijg je een brok in je keel, en roep je in vertwijfeling uit: Karel, Karel...

Plattegrond van het kamp

De herdenkingsplaats van het kamp Royallieu bij Compiègne is indrukwekkend. Een stuk van het terrein is intact gebleven, met daarop nog de drie (van de vijfentwintig) barakken.


Aan de ingang staat een stil makende lange glazenwand (Le Mur des Noms) met daarop alle, meer dan 40.000 namen. Ook die van Karel.

Le Mur des Noms


Het transport van Karel naar Dachau (de eindbestemming wisten de gevangen overigens niet) zou drie dagen duren en was onmenselijk zwaar. Een Franse medegevangene schreef er een relaas over. De avond van 17 juni werden zij die op transport gingen gehergroepeerd in Sectie C van het kamp. De volgende ochtend, in alle vroegte, gingen de ruim tweeduizend gevangenen te voet naar het station.

Gevangenen op weg naar het station in de vroege ochtend van 18 juni 1944

Op het perron werden zij in het Frans toegeschreeuwd door een jonge SS-officier: 'U hebt geen enkele kans te ontsnappen, maar als iemand het toch waagt, zullen we het aantal personen in zijn wagon verdubbelen. Als een gevangene het toch lukt om te ontsnappen, zullen we er tien fusilleren; en wanneer er tien ontsnappen gaat de hele wagon er aan!' Om te vervolgen: 'Als alle gevangenen van een wagon weten te ontsnappen, zal het gehele konvooi worden gefusilleerd!' Onder gescheld, getier en voortdurende klappen werden de mannen vervolgens een twintigtal veewagens ingedreven. Ruim honderd per wagon, wat neerkwam op niet veel meer dan 25x25 cm per persoon. 

De ellende tijdens de helletocht die erop volgde is in detail beschreven door een medegevangene – dat alles wil ik hier liever niet herhalen. Laat het voldoende zijn te weten dat er heel wat mannen omkwamen van dorst. Ik fantaseer wanneer ik zeg dat Karel samen met Eric Verstijnen de veewagen is ingejaagd, maar daar houd ik mij aan vast. Dan kan ik mij ook voorstellen dat de mannen elkaar moed hebben kunnen inspreken, al zal het de moed der wanhoop zijn geweest. Naarmate de trein dichter bij Duitsland kwam ging het langzamer vanwege de schade aan het spoor als gevolg van geallieerde bombardementen. De trein werd in Frankrijk bewaakt door Duitse soldaten en Italiaanse miliciens (zwarthemden). De tocht ging over Reims, Avricourt, Sarrebourg en Haguenau. Aan de grens werd de bewaking overgenomen door de Duitse Feldgendarmerie (Schupos), waarna de reis verder ging via Karlsruhe, Ulm en München naar Dachau.

Voor Karel begon in Compiègne zijn reis naar het einde, in Duitsland. Hij zal wel geweten hebben wat hem te wachten stond, maar waarschijnlijk niet hoe erg het werkelijk nog zou worden.
 
Dachau

In het Beierse Dachau, kwam Karel aan in de middag van 20 juni. Komend uit Sectie A van Compiègne, en dus een politieke delinquent, kreeg hij gevangenennummer 74114 (ook daarin zat een systeem). Van de 2143 gevangenen werden er 1.200 (waaronder Karel) afgezonderd voor transport naar buitencommando's en andere kampen om te gaan werken ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie, en in het bijzonder voor de firma BMW.

Schreibstubenkarte Dachau, met datum van aankomst en vertrek

De Nederlander Nico Rost beschrijft, in een dagboek dat hij bijhield in Dachau, vanuit de ziekenboeg (Revier) waar hij op dat moment lag, de aankomst van het transport waarvan Karel deel uitmaakte.

20 Juni
De idylle is ten einde.
Vandaag krijgen we ook hier in het Revier de werkelijkheid van Dachau te zien.

 Er is een groot transport aangekomen, waarvan honderden onderweg reeds
 gestorven schijnen te zijn.
 B. is bij het station geweest en heeft de gewonden en de lijken zien uitladen. [...]
 Ik zag, door het raam naast mijn bed, minstens twintig dooden - of bijna dooden,
 dat stond vaak nog niet vast - voorbijdragen. De andere barakken zullen dus ook
 wel vol komen.
 's Avonds
 Bij ons op Stube 1 ligt nu een joodsch jongetje uit Lyon, van een jaar of veertien.
 Onze verpleger droeg hem op zijn armen binnen - alsof hij hem uit een brand of
 een mijn gered had. Hij is heel mager, zijn voeten zijn doorgeloopen en
 gezwollen, maar hij klaagde niet en keek ons met zijn donkere oogen dankbaar
 aan - alsof het in onze macht ligt om hem te redden. B. beloofde hem, alles te
 doen om hem zoo lang mogelijk in het Revier te houden. Ik heb het vertaald, en
 dadelijk schoof hij beide magere armpjes om B's hals.
 Hij weet sinds weken niets van zijn vader, niets van zijn moeder en de twee
 zusjes, want in Lyon werden ze dadelijk in een andere gevangenis gestopt.


Flossenbürg

Op 22 juli 1944 (zijn verjaardag – hij werd die dag tweeëntwintig) werd hij overgebracht naar concentratiekamp Flossenbürg, ongeveer 150 km ten noorden van Dachau. Daar werden hem zijn 'bezittingen' afgenomen en op z'n Duits geregistreerd. Het is een van de meest trieste en ook persoonlijke documenten die nog van hem bestaan uit die periode. De kaart verteld wat hij aanhad en, persoonlijker nog, zijn eigen handtekening staat eronder!


De z.g. bezittingenkaart van Karel die werd opgemaakt toen hij in Flossenbürg aankwam.


Tot die tijd had Karel dus nog altijd de beschikking gehad over zijn eigen kleren. Pas in Flossenbürg kreeg hij voor het eerst het gestreepte gevangenispak. Het concentratiekamp was tevens een opleidingskamp voor de SS en droeg als sinister motto 'Vernichtung durch Arbeit'. Erger kon je het als dwangarbeider niet krijgen. Daar zou hij worden tewerkgesteld in het buitenkamp Hersbruck, en worden ingezet bij de operatie Doggerwerk die in mei 1944 van start was gegaan. De gevangenen moesten in de Houbirg bij Happurg een 120.000 m2 ruimte uithakken, waar de onderaardse fabriek van de BMW vliegtuigmotoren zou worden gehuisvest. Na een maand, op 28 augustus 1944, overleed hij uiteindelijk aan algehele uitputting (het stempel 'Verstorben am 28 okt. 1944' op de kaart is van na de oorlog en foutief). Dat moet een verlossing zijn geweest uit de beestachtige tirannie waarin hij was beland.

En dan herlees ik een passage uit het essay 'Ontmoetingen' van zijn boezemvriend Jan Sinnige.

 – Zijt Ge, dien ze de Dood noemen? – vroeg ik en ik beefde onder zijn doordringende blik, getuigende van ongekende en hogere machten.
– Die ben ik – degene, die het Leven afsnijdt dáár, waar dit noodzakelijk moet gebeuren – móét, door een Hogere Lotsbestemming onherroepelijk móét. – Ik ben een wreed man in de ogen der mensen, wreed en vals – maar zij allen kennen mij niet, geen van hen, totdat ik ze meegevoerd heb, totdat ik hun levens heb afgebroken; totdat ik ze opneem in de tere omhulling van mijn zacht beschermende mantel, om ze te brengen dáár, waar ze niet meer kennen de pijnen en smarten van hun aardse bestaan – dáár, waar ze gekoesterd worden door de stralende Schijn van gouden Licht.

Karels zusje Pauline en haar man Jan Stoop, brachten in 2001 een tweedaags bezoek aan Flossenbürg. Ik voeg het verdrietige verslag van dat bezoek hieronder toe. 






Loenen

In 1949 werd in Loenen, op de Veluwe, door Koningin Wilhelmina een centrale begraafplaats en tevens ereveld voor oorlogsslachtoffers geopend. Er is een speciale herdenkingskapel inricht voor omgekomen Engelandvaarders. De ouders van Karel hoorden bij de openings-plechtigheid onder de genodigden. Zelf bezocht ik Loenen vijfenzestig jaar later. Het is een indrukwekkende plek, een waar ereveld. En als je dan in de eenvoudige kapel binnentreedt, resten alleen nog stilte en gedachten – een vloedgolf aan gedachten. Karel, Karel...


De kapel op het ereveld in Loenen ter nagedachtenis van omgekomen Engelandvaarders

Ook Karel wordt hier herdacht (rechtsboven)

En alles wat van een mens overblijft is een verhaal. Tijdens mijn zoektocht naar Karel, wiens naam ik nu al 66 jaar draag, heb ik hem een beetje teruggevonden. Van groot belang waren daarbij de bronnen die zich openbaarden tijdens mijn vaak vertwijfelde speurwerk en mijn bezoeken aan Karels plaatsen van herinnering. Ik wilde zijn verhaal optekenen, want zolang iemand herinnerd wordt en zijn verhaal nog wordt verteld, is hij nog onder ons.



Karel de Vey Mestdagh
Wassenaar
Maart/November 2016